Natuurfotografie
Sinds begin 2006 ben ik lid van de fotoclub Brandevoort. Binnen deze fotoclub zijn diverse werkgroepen actief. Ik ben coördinator van de werkgroep voor natuurfotografie. Natuurfotografie kent vele onderwerpen, zoals landschappen, wolken, bomen, bloemen, parken en dieren (groot en klein). Via het menu (links) kun je een aantal foto's van mij zien, verdeeld naar dierenfoto's, landschappen en overige foto's. Hieronder staat wat theorie over natuurfotografie en over fotograferen in het algemeen. Waarom? Omdat ik nog wel eens vragen krijg over fotograferen en nadat ik het een en ander verteld heb, verwijs ik naar deze pagina als naslagwerk.
Landschapfotografie
Wat het maken van landschapsfoto's moeilijk maakt zijn enerzijds de weersomstandigheden en anderzijds het feit dat je snel een saaie dertien in een dozijn foto hebt. Een aantal zaken is belangrijk bij het maken van een goede landschapsfoto:
- Licht: het mooiste licht heb je 's ochtends vroeg en 's avonds voor zonsondergang. 's Middags als de zon hoog staat is een slecht tijdstip.
- Voorgrond: landschapsfoto's zien er al snel vlak uit, omdat er weinig dieptewerking in de foto zit. Dit kun je o.a. voorkomen door iets op de voorgrond mee te fotograferen: bijvoorbeeld een hek, een persoon of een deel van een boom.
- Gulden snede: als het hoofdonderwerp in het midden staat, heb je snel een saaie foto. Vaak is het mooier om de foto denkbeeldig is negen vlakken te verdelen (drie bij drie) en het hoofdonderwerp op een van de snijpunten te plaatsen (1/3 of 2/3, zowel horizontaal als vertikaal). Dit geldt ook voor de horizon. Deze kun je het beste op 1/3 of 2/3 van de foto zetten, maar niet op de helft. Ook diagonale lijnen kunnen de foto aantrekkelijker maken.
- De kunst van het weglaten: probeer niet teveel op een foto te zetten. Beter is het om in te zoomen op delen van het landschap.
- Een polarisatiefilter is handig bij het weerspiegelingen in water of glas, maar ook om het contrast van blauwe luchten met witte wolken mooier te maken. Het beste resultaat krijg je als de zon in een hoek van 90 graden staat (strijklicht)
- Een statief is onmisbaar. Naast het feit dat je geen kramp krijgt in je armen, kun je veel meer tijd nemen om een mooie compositie en de juiste instellingen op je fototoestel te kiezen.
- Bij moeilijke lichtomstandigheden, zoals zonsondergangen, is spotmeting beter dan de gemiddelde meting.
- Een kabelontspanner of zelfontspanner is aan te raden om onscherpte te voorkomen als gevolg van het indrukken van de sluiterknop.
Dierenfotografie
Bij dierenfotografie kan onderscheid gemaakt worden tussen macrofotografie (bijvoorbeeld insecten) en telefotografie. Bij het fotograferen van dieren is een lens van minimaal 300 mm nodig, maar 600 mm is beter. De diafragma dient groot te zijn (lage F waarde, zoals F2,8) om het dier scherp neer te zetten tegen een onscherpere achtergrond. Daarom is ook hier een statief onmisbaar. Je stelt eerst het juiste diafragma in en de sluitertijd wordt hierop afgestemd. Daardoor zal geregeld een langere sluitertijd nodig zijn. Een statief zorgt dan dat de kans op onscherpte kleiner wordt.
De relatie tussen diafragma, sluitertijd, ISO waarden en belichtingscorrectie
In dit deel wil ik de relatie beschrijven tussen diafragmawaarden, sluitertijden, ISO waarden en belichtingscorrectie. Maar eerst worden de begrippen diafragma en sluitertijd uitgelegd. Aan het einde van het artikel wordt uitleg gegeven over de verwarring rondom diafragmawaardes.
Definities
Als je een glas laat vollopen met water kun je de kraan ver opendraaien of juist maar weinig. In het eerste geval is het glas snel vol, in het tweede geval duurt het langer om dezelfde hoeveelheid water in het glas te krijgen. Zo is het ook met de diafragma en de sluitertijd. Om de benodigde hoeveelheid licht door te laten bepaalt de diafragma de lensopening en dus hoeveel licht er wordt doorgelaten en bepaalt de sluitertijd hoelang het licht wordt doorgelaten.
Relatie tussen diafragma en sluitertijd
Verschillende combinaties tussen sluitertijd en diafragma leiden tot dezelfde lichtwaarde. Bij donkere situaties is de lichtwaarde rondom nul, bij fel zonlicht is de lichtwaarde ca. 15. In het onderstaande voorbeeld ga ik uit van een licht bewolkte dag. De lichtwaarde die daarbij hoort is 12. Verder wordt de fotocamera ingesteld op ISO 100. Uit tabel 1 blijkt dat de combinatie van een diafragma van F2,8 en een sluitertijd van 1/500 seconde resulteert in dezelfde lichtwaarde (12) als een diafragma van F22 en een sluitertijd van 1/8, ofwel in beide situaties wordt evenveel licht doorgelaten.
| diafragma | lichtwaarde 11 | lichtwaarde 12 | lichtwaarde 13 |
|---|---|---|---|
| 2,8 | 1/250 | 1/500 | 1/1000 |
| 4,0 | 1/125 | 1/250 | 1/500 |
| 5,6 | 1/60 | 1/125 | 1/250 |
| 8,0 | 1/30 | 1/60 | 1/125 |
| 11,0 | 1/15 | 1/30 | 1/60 |
| 16,0 | 1/8 | 1/15 | 1/30 |
| 22,0 | 1/4 | 1/8 | 1/15 |
De ISO waarde kun je ook variëren. In onderstaande tabel is uitgegaan van een lichtwaarde van 12:
| diafragma | iso 100 | iso 200 | iso 400 | iso 800 |
|---|---|---|---|---|
| 2,8 | 1/500 | 1/1000 | 1/2000 | 1/4000 |
| 4,0 | 1/250 | 1/500 | 1/1000 | 1/2000 |
| 5,6 | 1/125 | 1/250 | 1/500 | 1/1000 |
| 8,0 | 1/60 | 1/125 | 1/250 | 1/500 |
De M-stand
Met deze informatie kun je begrijpen wat de fotocamera instelt. In de handmatige stand (M-stand) heb je de keuzes van diafragma, sluitertijd en ISO waarde zelf in de hand. Het resultaat van deze drie factoren bepaalt de belichtingscorrectie (meestal aangeduid met EV). Voorbeeld: Op de lichtbewolkte dag meet de fotocamera een lichtwaarde van 12. Je hebt de ISO waarde ingesteld op 100, de diafragma op F5,6 en de sluitertijd op 1/250 seconden. Uit tabel 1 kun je aflezen dat deze instellingen resulteren in een lichtwaarde van 13. De EV zal -1,0 aangeven, ofwel 1 stop onderbelichting. (N.B. bij 1 stop onderbelichting moet je in de tabel kijken bij lichtwaarde 13 en bij 1 stop overbelichten moet je in de tabel kijken bij lichtwaarde 11).
De A-stand
In de A-stand geeft je de diafragmawaarde, de ISO waarde en de belichtingscorrectie in. Het resultaat van deze drie factoren bepaalt de sluitertijd. Voorbeeld: diafragmawaarde is ingesteld op F8,0, ISO waarde op 100 en de belichtscorrectie staat neutraal. De sluitertijd zal door de camera op 1/60 seconde worden vastgesteld (zie tabel 1). Als je 1 stop wilt overbelichten zet je de EV waarde op +1,0. De fotocamera zal dan een sluitertijd vaststellen van 1/30 seconde (langere sluitertijd laat meer licht door).
De S-stand
In de S-stand geef je de sluitertijd, de ISO waarde en de belichtingscorrectie in. Het resultaat van deze drie factoren bepaalt de diafragmawaarde. Voorbeeld: sluitertijd is ingesteld op 1/15 seconde, ISO waarde op 100 en de belichtingscorrectie neutraal. De diafragmawaarde zal door de camera op F16 worden vastgesteld. Als je 1 stop wilt onderbelichten (EV -1,0) zal de camera de diafragmawaarde op F22 vaststellen (lens minder ver open, waardoor minder licht wordt doorgelaten).
De P-stand
In de P-stand (automatische stand) kiest de fotocamera zelf een optimale combinatie tussen diafragmawaarde en sluitertijd. De ISO waarde en de belichtingscorrectie kun je instellen, maar je hebt geen controle meer over de diafragmawaarde en sluitertijd.
Welke combinatie kies je?
Welke combinatie tussen diafragmawaarde en sluitertijd je nodig hebt is afhankelijk van het type foto dat je wilt maken. Als je veel scherptediepte wilt, kies je voor een kleine lensopening (groot diafragmawaarde), wil je weinig scherptediepte, dan kies je voor een grote lensopening (klein diafragmawaarde). Bij “bevroren” beelden (voorbeeld van vogel die voorbij vliegt) kies je voor een korte sluitertijd en bij het fotograferen van beweging (voorbeeld stromend water) kies je voor een langere sluitertijd.
Over- en onderbelichten
Waarom zou je willen over- of onderbelichten? In bepaalde situaties kan de camera een verkeerde lichtwaarde vaststellen. Bijvoorbeeld bij sneeuw. De camera denkt door de grote witte vlaktes dat er veel licht is en zal de lichtwaarde hoog instellen, waardoor de lens wordt dichtgeknepen, dan wel de sluitertijd kort wordt vastgesteld. Dit zal resulteren in een donkere grauwe foto van de sneeuw. Door 1 of 2 stoppen over te belichten zal de foto mooie witte sneeuw laten zien. Andersom bij het fotograferen van een onderwerp tegen een donkere achtergrond zal de camera de lens ver open zetten en/of kiezen voor een lange sluitertijd. In deze situatie moet de foto 2 stoppen worden onderbelicht.
Om 1 stop over te belichten kun je kiezen uit de volgende opties:
- EV instellen op + 1,0 in de P, A of S stand,
- Sluitertijd verdubbelen in de M stand,
- Diafragmawaarde 1 stap lager (kleiner getal) in de M stand of
- De ISO waarde 1 stap verhogen (vb van ISO 200 naar ISO 400).
Om 1 stop onder te belichten kun je kiezen uit de volgende opties:
- EV instellen op - 1,0 in de P, A of S stand,
- Sluitertijd halveren in de M stand,
- Diafragmawaarde 1 stap hoger (groter getal) in de M stand of
- De ISO waarde 1 stap verlagen.
Meetmethodes
Hoe meet de camera de lichtwaarde? Daarvoor zijn drie methoden gangbaar: de integraalmeting, de matrixmeting en de spotmeting. De tweede leidt meestal tot goed resultaat. Bij contrastrijke situaties is de spotmeting aan te raden Deze meet de belichting van een klein oppervlakte. De integraalmeting gaat uit van een gemiddelde waarde van de gehele foto.
Verwarring rondom diafragmawaardes
Tot slot geef ik antwoord op een tweetal vragen:
- waarom heeft een grote lensopening een klein F getal (diafragmawaarde) en omgekeerd?
- waarom heb je bij compactcamera’s bij dezelfde diafragmawaardes scherpere foto’s dan bij spiegelreflexcamera’s?
De diafragmawaarde is in feite een breuk. F2,8 is eigenlijk F 1 / 2,8. De waarde is de brandpuntafstand gedeeld door de lensopening. Voorbeeld: bij een brandpuntafstand van 50 mm en een lensopening van 18 mm is de diafragma 50/18 = 2,8. Bij een opening van 9 mm is de diafragma 50/9 = 5,6. Een grotere opening (18 mm) resulteert dus in een lager getal (2,8), omdat het in de noemer van de breuk staat.
Bij compactcamera’s zijn de brandpuntafstanden kleiner. Een brandpuntafstand van 50 mm bij een digitale spiegelreflexcamera is “vergelijkbaar” met een brandpuntafstand van 10 mm bij een compactcamera. Bij F2,8 is de opening van een digitale spiegelreflexcamera 18 mm, maar bij een compactcamera is dat 10mm/2,8 = 3,5 mm. De opening is veel kleiner en daardoor de beelden scherper. Als je een foto wilt maken met weinig scherptediepte is een spiegelreflexcamera de beste optie, voor foto’s met veel scherptediepte is een compactcamera ook goed bruikbaar.